lexiara

TITEL II. Huurovereenkomsten voor hoofdverblijfplaatsen › HOOFDSTUK V. Betwistingen › Afdeling 2. Rechtspleging

Uitvoering uithuiszetting - termijn De uithuiszetting, vermeld in artikel 46, kan pas na verloop van een termijn van één maand na de betekening van het vonnis uitgevoerd worden, tenzij een van de volgende gevallen zich voordoet: 1° de verhuurder levert het bewijs dat het goed verlaten is; 2° de partijen kwamen een andere termijn overeen en dat akkoord werd in het vonnis opgenomen; 3° de rechter verlengt de termijn of kort die in op verzoek van de huurder of de verhuurder die het bewijs levert van uitzonderlijk ernstige omstandigheden, onder meer de mogelijkheden van de huurder om opnieuw gehuisvest te worden in omstandigheden die geen afbreuk doen aan de eenheid, de financiële middelen en de behoeften van het gezin. De rechter stelt, rekening houdend met de belangen van de twee partijen en onder de voorwaarden die hij bepaalt, de termijn vast waarin de uithuiszetting niet kan worden uitgevoerd; 4° de rechter deed uitspraak in kort geding op grond van artikel 43, § 2. De rechter stelt, rekening houdend met de belangen van de twee partijen en onder de voorwaarden die hij bepaalt, de termijn vast waarin de uithuiszetting niet kan worden uitgevoerd. Deze termijn houdt in het bijzonder rekening met het spoedeisend karakter van de zaak. De gerechtsdeurwaarder brengt de huurder of de bewoners van het goed in ieder geval ten minste zeven kalenderdagen van tevoren op de hoogte van de werkelijke datum van de uithuiszetting.

· All articles ·

Source: Vlaamse Codex — open-data API · retrieved 2026-08-02